COLUMN

BLIND GELOOF

Een van de zeer weinige columns van Jorrit over leiders en leiderschap in organisaties

Eén van die typische plaatjes van 'Hem'

Het geloof mag zich in een groeiende populariteit verheugen. Gelovigen kom je tegenwoordig overal tegen. Zelfs in gezelschappen van weldenkende mensen kan het  je overkomen dat je plotsklaps uit onverwachte hoek een preek voor je kiezen krijgt. Ik vermoed dat er tegenwoordig slechts enkele niet-gelovigen zijn. Waar komt dit vandaan? De ouders van gelovigen, geloofden doorgaans ook al. Zij, maar zeker ook onderwijsinstellingen brengen dit onwankelbare geloof over op (hun) kinderen, leerlingen en studenten. Hoe ‘hoger’ de onderwijsinstelling hoe vanzelfsprekender het geloof is en hoe devoter de docenten en leerlingen zijn. Op bijna alle universiteiten wordt ‘gelovig zijn’ als heersende leer beschouwd. Dit geloof wordt gekenmerkt door een vast vertrouwen in het bestaan van het geloof an sich en in Hem (gelovigen gaan veelal uit van een ‘Hem’, hoewel er gelovigen zijn, een relatief kleine afsplitsing met steeds meer aanhangers, die uitgaan van een ‘Haar’).

- Column door: Jorrit Stevens,

   in 2010 verschenen in De OrganisatieActivist. Overgenomen met toestemming.

De gelovige kenmerkt zich door een verlangen om te geloven, dat diep in zijn binnenste huist. De gelovige heeft de overtuiging dat het goed is om het eigen hart aan Hem te geven. Er zit ook iets van volledig vertrouwen, aanbidding en zelfs overgave in. Daartegenover staat overigens ook een soort tegenprestatie, hoewel gelovigen dat niet zo zullen noemen. Het Duitse werkwoord ‘bitten’, maakt dat inzichtelijk: het gaat om een ‘vragen’ of ‘verzoeken’ van de gelovige aan degene in wie gelooft wordt, het Opperwezen. De gelovige vraagt of verzoekt aan Hem, of Hij zich, naar beste weten en kunnen, wil ontfermen over de gelovige die immers lager geplaatst is. In de constructie zelf zit dus al een bovenschikking en een onderschikking. De vernedering van laatstgenoemde ten opzichte van eerstgenoemde is hierin dus al ‘ingebakken’.

 

Maar wat kenmerkt dit Opperwezen waarin zovelen geloven? In ieder geval valt op dat daaraan allerlei eigenschappen worden toegeschreven die getypeerd kunnen worden als ‘ideaal menselijk’. Hij wordt dus voorgesteld als een mens met ideale eigenschappen, véél idealer dan wijzelf eigenlijk kunnen zijn. Feitelijk gaat het om de projectie van fantasieën over menselijkheid op het Opperwezen, bijvoorbeeld: Hij toont zich een lichtend voorbeeld, Hij blijft luisteren – ook naar minderheidsstand-punten; Hij draagt de geloofswaarden en geloofsvisie waarover hij beschikt op heldere wijze uit; Hij betrekt de gelovigen waar nodig; Hij is, volgens velen:

proactief; gaat voor win-win, werkt aan vertrouwen én is empathisch; Hij is het (moreel) kompas waarop de gelovigen zich kunnen richten, zet de koers uit, weet wat goed is voor de gelovigen; Hij weet dat trots in hoogmoed kan omslaan; Hij is eenling én teamspeler tegelijk.

 

Hoewel deze (ideaal)menselijke eigenschappen Hem toegedicht worden door de gelovigen, heeft het Opperwezen zolang Hij en Zijn institutie bestaat, er in de praktijk toch een potje van gemaakt: exorbitante zelfverrijking, beloning voor niet geleverde prestaties, consequente betweterigheid ten opzichte van alle gelovigen, bovengemiddeld narcisme, ondergemiddeld ethisch besef, handelen met voorkennis, onderdrukking of ontslag van andersdenkenden, machtsmisbruik en zelfs fraude. Het paradoxale is dat deze misstanden veelal juist dóór dit geloof mogelijk gemaakt worden, maar dat de reactie van gelovigen op deze misstanden steevast is: dit was niet het ECHTE geloof. ‘Wat wij nu nodig hebben is een Opperwezen waarin wij gerechtvaardigd kunnen geloven.’

 

Men zet vervolgens een woord (dat gewoon menselijk gedrag beschrijft) vóór de aanduiding van de geloofsinstitutie. Ik vermoed dat dit is om het Opperwezen aan de gewenste idealen te herinneren (Hij ontspoort telkens wéér) en tegelijkertijd het eigen gemoed te kalmeren door iets van de ingebakken vernedering af te zwakken (men hoopt dat het dit keer wél goed zal gaan):

dienen, verbinden, authentiek, vrouwelijk, situationeel, transformationeel, echt, persoonlijk en visionair.

 

Overtuigde gelovigen gaan soms zo op in hun geloof (ze weten ook niet beter dan dat hun geloof ‘er is’) dat ze dit als bewijs zien van hun geloof of overtuiging (‘Ik geloof, dus wat of waarin ik geloof is wáár’). Zij twijfelen niet en staan ook niet open voor alternatieve rationele of logische verklaringen die hun geloof ondermijnen. Dat geldt ook voor de ontdekking van nieuwe wetenschappelijke of praktische inzichten en bewijzen die haaks staan op hun geloof. Zij hebben de neiging om de nieuwe tegenstrijdigheden vanuit hun geloof te verklaren. Dit kleurt de nieuwe (wetenschappelijke) feiten en gebeurtenissen zodanig dat deze geen of nauwelijks nog objectieve waarde hebben. Dit wordt wel ‘blind geloof’ genoemd.

 

Uit mijn praktische ervaringen en wetenschappelijke inzichten, blijkt: geloven in de noodzakelijkheid van leiders en leiderschap is mogelijk, maar niet noodzakelijk.

 

------------
 

drs. J.C.F. (Jorrit) Stevens is voor cliënten desgewenst beschikbaar als denkadviseur (GrasFabriek). Hij geeft advies over: samenwerken & organiseren, ontwikkelen & leren, leiderschap & volgerschap.

Saillant: hoewel hij één van de weinige 'niet-gelovigen' is op dit gebied, wordt hij - frappant genoeg - regelmatig door cliënten (veelal leidinggevenden) gevraagd om juist te adviseren / coachen inzake (ontwikkeling van) leiderschap en volgerschap. Dit levert voor zowel cliënt als adviseur vaak interessante gesprekken en inzichten op..!

 

 

Terug naar:

publicaties